Waarom je de tandarts nooit moet vertrouwen

Dit is het verschrikkelijke verhaal over mijn bezoek aan de tandarts. Gelukkig leef ik nog.

Ik heb een pesthekel aan de tandarts. Omdat tandartspraktijken ruiken naar ontbindende lijken, er mensen over je heen hangen met enge mondkapjes en het weerzinwekkende geluid van de boormachine tergend diep je ziel binnen dringt.

Brekende tand

De grootste hekel heb ik opgelopen tijdens het bezoek toen ik veertien was. De tandarts wilde een tand uit mijn mond trekken waarvan hij dacht dat het een melkgevalletje was. Maar toen hij begon te trekken, bleek-ie wel erg vast te zitten en brak. Het overgebleven gedeelte inclusief wortel moesten uit mijn kaak worden gesneden. Omdat ik na drie verdovingen geen vierde mocht hebben, naaide hij de boel dicht zonder verdoving. Ik strompelde op mijn laatste krachten naar huis, onder het bloed. Niet een beetje, maar van boven tot onder, mijn shirt volledig doorweekt. Het was horror.

ER MOEST IETS MET DIE TAND GEBEUREN.

ER WAS GEEN REDDEN MEER AAN

Je zou denken dat ik er sinds dit akkefietje nooit meer ben geweest, maar toch ga ik weer. Om maar één enkele reden: dat ik mijn kinderen niet wil opzadelen met mijn trauma. In de hoop dat zij het wél leuk vinden. Tot nu toe lukt dat goed, want ze mogen altijd een cadeau uitzoeken en de mini-tubes tandpasta liggen er voor het grijpen. Ze komen altijd met volle zakken meuk terug en vinden het een prima woensdagmiddagbesteding.
Tot zover een kabbelend verhaal, totdat er een stukje van de kies afbrak, net áchter de plek waar die ene tand ooit was getrokken. De tandarts vertrouwde de boel niet. ‘Daar kunnen we iets heel moois van maken,’ zei hij grijnzend. De kies die tijdens die marteling beschadigd was geraakt van al dat hakken en zagen, gaf het op na 28 jaar trouwe dienst. Hij lag aan gort. En moest iets mee gebeuren.

Blinde paniek

Ik liet me in zijn mooie beloften tuinen en een week later lag ik wederom in de stoel. De tandarts scheen met een fel licht mijn mond in, en zei tegen de assistente: ‘Wortelkanaaltje?’ Ik schrok me de vellen. Wat kregen we nou, zeg?! De assistente zag mijn blinde paniek en negeerde alle voorstellen die de tandarts vervolgens deed. Ze zei: ‘Laten we het gewoon zo diep mogelijk schoon maken en er een kapje op zetten.’
De tandarts begon te boren. Met zoveel kracht, nét achter de plek waar ik ooit zo mishandeld was, dat ik een waas voor mijn ogen kreeg. Ik kon alleen nog maar trillen en janken, daar in de stoel, bijna out van de angst. Hij vroeg of ik een slokje water wilde voor de schrik, maar ik snikte: ‘Ga door, ga door, maak dit af, zo snel mogelijk.’ Zo geschiedde. Twintig minuten later stond ik buiten met een nieuwe, gave, blinkende tand. Zo mooi had het er in geen 28 jaar uitgezien.

De schijn ophouden

Eenmaal thuis vroegen mijn kinderen hoe het was gegaan. Ik loog schaamteloos. Dat ik zo onwijs blij was met mijn nieuwe tand, dat de nieuwe tandarts zo aardig was. Als een bikkel zat ik daar, met een half verdoofd gezicht, kwijlend en wel. De schijn op te houden voor mijn kinderen, ze beschermend voor de angst die enge drilboorfanaten kunnen oproepen. Dankzij de assistente was ik voor de komende tien jaar behoed voor een wortelkanaalbehandeling. Ze is geweldig. Tandartsen mag je nooit vertrouwen, weet ik nu weer, maar hun assistenten des te meer.

LEES OOK: De summer of love was geweldig. Toch?

Foto credit: Laura Mitulla, Unsplash